Participatieverordening opstellen: wat er voor 1 januari 2027 in moet staan
Elke gemeente vervangt haar inspraakverordening uiterlijk 1 januari 2027 door een participatieverordening. Daarin legt de raad vast hoe de gemeente inwoners betrekt bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid, en onder welke voorwaarden inwoners een taak van de gemeente kunnen overnemen.
Een participatieverordening is de verordening waarin de gemeenteraad vastlegt hoe de gemeente inwoners en belanghebbenden betrekt bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Artikel 150 van de Gemeentewet vraagt dat sinds 1 januari 2025, en een oude inspraakverordening verliest uiterlijk op 1 januari 2027 haar rechtskracht. In de verordening horen in elk geval regels over hoe je inwoners betrekt en de voorwaarden voor het uitdaagrecht. De rest kiest de raad zelf, en die keuzes verantwoord je daarna per traject.
Dit artikel is voor wie de verordening nu nog schrijft, en voor wie haar al heeft en wil nagaan of ze in de praktijk werkt. Wat burgerparticipatie in het algemeen is, staat in een apart artikel.
Wat de Gemeentewet van je participatieverordening vraagt
De plicht komt uit de Wet versterking participatie op decentraal niveau (Staatsblad 2024, 203). Die wet veranderde artikel 150 van de Gemeentewet. Het artikel heeft drie leden:
- De raad stelt een verordening vast met regels over “de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid worden betrokken.”
- Regelt de raad die betrokkenheid als inspraak, dan geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij de verordening iets anders bepaalt.
- De verordening bepaalt de voorwaarden waaronder inwoners en maatschappelijke partijen taken van de gemeente kunnen uitvoeren. Dat is het uitdaagrecht.
Wat de wet niet zegt, is net zo belangrijk. Ze schrijft geen vormen voor, geen aantal momenten en geen minimum aan deelnemers. De wet vraagt regels over het hoe. Wat die regels zijn, beslist de raad.
Wat er op 1 januari 2027 met je inspraakverordening gebeurt
Het overgangsrecht staat in artikel V van de wet. Een verordening op grond van artikel 150 die al gold, “behoudt haar rechtskracht tot uiterlijk twee jaar na” de inwerkingtreding, of tot de raad haar eerder intrekt. Volgens het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) is de wet sinds 1 januari 2025 van kracht en hebben gemeenten tot 1 januari 2027 om hun verordeningen en beleid aan te passen. De VNG noemt dezelfde datum.
Heeft de raad op die datum geen nieuwe verordening vastgesteld, dan vervalt de oude en heeft de gemeente geen verordening op grond van artikel 150 meer. Staat het voorstel nog niet op de agenda van de raad, reken dan terug vanaf de laatste raadsvergadering van 2026, met de commissie en het collegebesluit ervoor.
Afspiegeling van inwoners: wat het IPLO verwacht en wat de wet zegt
Het IPLO schrijft dat de verordening afspraken bevat over hoe de overheid in alle fasen van beleid zorgt voor een afspiegeling van de samenleving, en dat wie wil meedoen, ook kan meedoen. In de wettekst van artikel 150 komt het woord afspiegeling niet voor. Dat verschil is bruikbaar. Een verordening kan geen uitkomst beloven, wel een werkwijze vastleggen.
Een werkwijze die een raad kan controleren, ziet er zo uit:
- Vooraf: in het plan per traject noem je welke groepen inwoners je wil bereiken, en in welke wijken.
- Achteraf: in het verslag laat je zien wie er meedeed, per wijk en per leeftijdsgroep, en wie je niet bereikte.
- Bijsturen: valt een wijk of groep weg, dan staat in het verslag wat je daarna deed.
Hier helpt een peiling onder inwoners. Een peiling van Gemeentepeiler vraagt vooraf postcode en geboortejaar. Daardoor zie je in het kaart-dashboard voor burgerparticipatie de uitslag per wijk of buurt, en per antwoord de verdeling naar leeftijd. Klik je op een gebied, dan filteren de cijfers eromheen. Zo kun je in het verslag aan de raad laten zien uit welke wijken de antwoorden kwamen.
Een peiling heeft ook grenzen. Ze rapporteert over de deelnemers, niet over alle inwoners, en ze maakt een groep geen afspiegeling. Meedoen kan vanaf 16 jaar, alleen digitaal en in het Nederlands. Wie je zo niet bereikt, bereik je met een andere aanpak: een gesprek op straat, een avond in de wijk, een kaart op papier. Kerkrade combineerde voor haar omgevingsvisie een kaart met QR-code huis-aan-huis en gesprekken op straat.
Een voorbeeld: wat de participatieverordening van Oostzaan regelt
De gemeenteraad van Oostzaan stelde op 22 mei 2025 de Participatieverordening Oostzaan 2025 vast. Ze laat zien welke keuzes een gemeente boven op de wet kan maken:
- Een plan vooraf (artikel 3). Voor elk traject van inwonersparticipatie maakt het bestuursorgaan een plan, met onder meer het doel, het proces en de planning.
- Inspraak (artikel 4). Afdeling 3.4 van de Awb geldt, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt.
- Een openbaar eindverslag (artikel 5). Daarin staan het proces, de uitkomsten, de ingebrachte argumenten, een onderbouwde reactie daarop en een evaluatie van het proces. Stelde het college het plan op, dan stelt het college ook het eindverslag op en informeert het de raad.
- Het uitdaagrecht (artikel 6 tot en met 9). Het bestuursorgaan reageert binnen 8 weken op een verzoek en kan die termijn met 8 weken verdagen.
- Een participatieparagraaf (artikel 10). In de begroting staan de speerpunten voor participatie in het komende jaar, en in het jaarverslag doet het college verslag van de uitvoering van de verordening.
Het plan, het eindverslag en de paragraaf zijn keuzes van Oostzaan, geen eisen uit de wet. Ze maken wel zichtbaar wat een raad achteraf kan nagaan: werd er een plan gemaakt, wie deed er mee, en wat gebeurde er met de inbreng.
Het VNG-model en de keuzes die bij de raad liggen
De VNG bood gemeenten op 19 december 2024 een Model Participatieverordening aan, met een implementatiehandleiding. Het model heeft twee varianten, en binnen elke variant keuzemogelijkheden. De VNG schrijft ook dat de verordening een permanent andere inzet van de gemeente vraagt, en dat het gesprek erover gevoerd moet worden met college, raad en ambtenaren, en met inwoners en maatschappelijke partijen.
Welke variant je ook neemt, deze vragen komen bij de raad terug:
- Voor welke besluiten maak je vooraf een participatieplan, en voor welke niet?
- Wie stelt het verslag op, wanneer is het openbaar, en hoe hoort de raad ervan?
- Welke termijnen en welke afwijzingsgronden gelden bij het uitdaagrecht?
- Hoe laat je in het verslag zien wie er meedeed, per wijk en per leeftijdsgroep?
- Waar verantwoordt het college zich jaarlijks: in de begroting, het jaarverslag of een aparte brief?
Leg in de verordening de regel vast en in het participatiebeleid de uitwerking. Een verordening die per traject de vorm voorschrijft, moet je bij elk nieuw project wijzigen.
Participatieverordening en de Omgevingswet
De participatieverordening en de Omgevingswet raken elkaar. Volgens het IPLO geldt de motiveringsplicht uit het Omgevingsbesluit als je participatieverordening ook over de instrumenten van de Omgevingswet gaat. Bij het vaststellen van zo’n instrument geef je dan aan hoe je uitvoering gaf aan de participatieverordening. Bij een omgevingsvisie of omgevingsplan schrijf je dus op hoe de inwoners volgens je eigen regels betrokken zijn.
De verordening gaat alleen over participatie waarvoor de gemeente zelf verantwoordelijk is. Participatie die een initiatiefnemer doet bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning valt erbuiten. Meer over die kant staat bij burgerparticipatie onder de Omgevingswet.
Wat de verordening van je dagelijkse werk vraagt
Na de vaststelling begint het werk. Elk traject krijgt een plan en een verslag, en het verslag moet de raad kunnen lezen zonder het hele dossier. Daarvoor heb je per traject drie dingen nodig: wie je wilde bereiken, wie er meedeed, en wat er met de inbreng gebeurde.
Een peiling onder inwoners levert het tweede deel snel, als de vragen goed zijn. Een suggestieve vraag maakt de uitslag onbruikbaar in een raadsdebat; zo vermijd je suggestieve en leidende vragen. Met de tools voor burgerparticipatie van Gemeentepeiler zet jij de peiling uit onder inwoners in de wijken die je kiest, en exporteer je de uitslag naar Excel, CSV of PDF voor het verslag. De keuze wat je met de uitkomst doet, blijft bij jou en de raad.
Veelgestelde
vragen
- Wat is het verschil tussen een inspraakverordening en een participatieverordening?
- Een participatieverordening gaat over het hele beleidsproces: de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van gemeentelijk beleid. Inspraak is daarin één vorm van betrekken. Kiest de gemeente voor inspraak, dan geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij de verordening iets anders bepaalt. Daarnaast regelt de participatieverordening het uitdaagrecht.
- Wanneer moet de participatieverordening klaar zijn?
- De participatieverordening moet uiterlijk 1 januari 2027 zijn vastgesteld. De Wet versterking participatie op decentraal niveau geldt sinds 1 januari 2025, en een bestaande inspraakverordening houdt haar rechtskracht tot uiterlijk twee jaar daarna. De gemeenteraad stelt de nieuwe verordening vast.
- Moet het uitdaagrecht in de participatieverordening staan?
- Ja. Artikel 150 van de Gemeentewet zegt dat de participatieverordening de voorwaarden bepaalt waaronder inwoners en maatschappelijke partijen taken van de gemeente kunnen uitvoeren. Dat heet het uitdaagrecht. Hoe de procedure eruitziet, met welke termijnen en welke gronden om een verzoek af te wijzen, kiest de gemeente zelf.