Representatief onderzoek onder inwoners: wanneer het nodig is, en wat je zegt als je peiling het niet is
Een peiling onder inwoners is representatief als de deelnemers samen een afspiegeling zijn van de bevolking waarover je iets wil zeggen. Daarvoor heb je een aselecte steekproef nodig, genoeg respons en geen groepen die wegvallen. Een peiling waarvoor inwoners zich zelf aanmelden, is dat niet. Dat is geen ramp. Wil je weten hoe groot een groep is die iets vindt, dan heb je representatief onderzoek nodig. Wil je weten welke meningen en argumenten er zijn, dan is spreiding belangrijker. In beide gevallen zeg je erbij over wie de uitslag gaat.
Dit artikel is voor wie een peiling onder inwoners opzet of de uitslag aan de raad voorlegt. Het gaat over de samenstelling van de groep. Hoe je de vragen zelf zo stelt dat ze niet sturen, staat in het artikel over suggestieve en leidende vragen.
Wat representatief onderzoek onder inwoners vraagt
Het CBS noemt in een toelichting op representativiteit drie voorwaarden. De steekproef is groot genoeg en aselect getrokken. Er is voldoende respons. En die respons is niet selectief.
Wat dat in de praktijk betekent:
- Aselect trekken. Elke inwoner in de groep waarover je iets wil zeggen, heeft een bekende kans om gevraagd te worden. Jij kiest wie je benadert, niet de inwoner zelf.
- Genoeg respons. Hoe minder antwoorden, hoe groter de onzekerheid. Bij de Veiligheidsmonitor 2025 zijn de marges landelijk klein door het grote aantal waarnemingen, en groter voor regio’s en voor gemeenten met meer dan 70 duizend inwoners, omdat daar minder waarnemingen zijn.
- Geen selectieve respons. De mensen die antwoorden, wijken niet af van de mensen die niet antwoorden. Vallen jongeren of een bepaalde wijk weg, dan zegt de uitslag minder over de hele gemeente, ook als het totaal groot is.
Een responspercentage alleen zegt dus weinig. Bij de Veiligheidsmonitor 2025 deden 205 duizend van de 615 duizend benaderde personen mee, een respons van 33,4 procent. Het CBS publiceert er toch uitkomsten van, ook voor de grotere gemeenten, met een marge erbij en na weging.
Steekproef of open aanmelding: het verschil in de uitslag
Het Kennisknooppunt Participatie beschrijft twee manieren om een burgerpanel samen te stellen. Bij open aanmelding melden inwoners zich aan na een oproep, bijvoorbeeld in de gemeentelijke nieuwsbrief of op sociale media. Bij willekeurige selectie worden inwoners geloot, vaak met het doel een representatieve groep samen te stellen.
Het verschil zit in wie er meedoet. Bij open aanmelding kiest de inwoner zelf. Dat heet zelfselectie. Het Kennisknooppunt noemt als voordeel van loting dat er minder kans is op overbezetting door bepaalde groepen.
Onderzoekers van het CBS, Maastricht University en Stanford University keken in 2015 hoe groot dat effect is. In het bericht van het CBS over dat onderzoek staat dat ze 18 internetpanels met vrijwillige deelnemers vergeleken met de gemeentelijke basisadministratie en met steekproeven van het CBS. De steekproeven van het CBS waren het meest representatief, de internetpanels het minst. De verschillen tussen de panels onderling waren groot.
Voor een gemeente betekent dat: een panel met open aanmelding geeft je een groep betrokken inwoners. Het geeft je geen kleine versie van de gemeente.
Weging: wat het corrigeert en wat niet
Weging is een correctie achteraf. Groepen die te weinig meededen, tellen zwaarder mee. Groepen die te veel meededen, lichter. De Veiligheidsmonitor 2025 houdt bij de weging rekening met geografische, demografische en sociaaleconomische kenmerken.
Bij een panel met open aanmelding helpt weging weinig. In het onderzoek van 2015 verbeterde weging de kwaliteit van de internetpanels niet. Werd een panel op het ene kenmerk representatiever, dan werd het dat op een ander kenmerk juist minder.
Weging corrigeert bovendien alleen voor kenmerken die je kent, zoals leeftijd en wijk. Het corrigeert niet voor wat je niet meet, zoals betrokkenheid of een uitgesproken mening over het onderwerp. Wie zich voor een panel aanmeldt, verschilt juist daarin van wie dat niet doet.
Wanneer je representatief onderzoek nodig hebt, en wanneer niet
Platform31 maakt in een artikel over representativiteit bij participatie een onderscheid dat de keuze makkelijker maakt. Representativiteit is volgens de auteurs “nooit doel op zich”. Het hangt af van wat je wil weten.
| Je wil weten | Wat je nodig hebt | Voorbeeld |
|---|---|---|
| hoe groot de groep is die iets vindt of wil | een representatieve groep | of genoeg bewoners willen meedoen aan een warmtenet |
| welke meningen, argumenten en ideeën er zijn | spreiding over groepen inwoners | wat inwoners belangrijk vinden in een omgevingsvisie |
Het voorbeeld van het warmtenet komt uit hetzelfde artikel. Een warmtenet is in een wijk vaak alleen rendabel als 80 procent van de bewoners wil meedoen. Is de respons niet representatief, dan kan de gemeente volgens Platform31 geen uitspraak doen over de business case.
Voor het ophalen van meningen en waarden is volgens Platform31 “diversiteit belangrijker dan representativiteit”. Het is dan voldoende dat je genoeg meningen van uiteenlopende groepen hebt verzameld. Dat kan met laagdrempelige vormen, zoals een digitale raadpleging. Platform31 raadt ook aan om methoden te combineren: eerst ideeën ophalen met een kleine groep, daarna toetsen bij een bredere groep.
Kerkrade koos bij haar omgevingsvisie bewust voor het tweede. Marjolein Rozendaal, communicatieadviseur bij de gemeente Kerkrade, in de case over die campagne: “We waren erop gericht om zoveel mogelijk inwoners te betrekken, en dat is wat we met Gemeentepeiler hebben bereikt. Het gaat hier om het verzamelen van gedachten en ideeën, niet om percentages.”
Rapporteren over de deelnemers: zo zie je per wijk wie ontbreekt
Is je peiling niet representatief, dan rapporteer je over de deelnemers. Dat is geen zwakte in een raadsinformatiebrief, zolang je het erbij zegt. Een raadslid dat leest “onder de deelnemers” en het aantal deelnemers ziet, weet waar het staat. Een raadslid dat leest “de inwoners vinden” en later hoort hoe de groep tot stand kwam, gelooft de rest niet meer.
Schrijf in elk geval op:
- Hoe deelnemers meededen. Via een open link, een aanmelding voor een panel of een aselecte steekproef.
- Hoeveel deelnemers er waren, en uit welke wijken en leeftijdsgroepen. Zet daar het aantal inwoners per wijk naast. Het CBS publiceert de Kerncijfers wijken en buurten met onder meer het aantal inwoners per leeftijdsgroep, per gemeente, wijk en buurt.
- Welke groepen ontbreken of oververtegenwoordigd zijn. En wat je deed om ze alsnog te bereiken.
- Wat de uitslag wel en niet zegt. “Onder de deelnemers” en niet “de inwoners vinden”.
Met Gemeentepeiler zie je dat per gebied. Een peiling vraagt vooraf postcode en geboortejaar. In het kaart-dashboard voor burgerparticipatie staat de uitslag per wijk of buurt op de kaart. Klik je op een gebied, dan filteren de cijfers eromheen. Per antwoord klap je de verdeling naar leeftijd open. Zo zie je tijdens de looptijd welke wijken en leeftijdsgroepen achterblijven, en kun je daar extra werven, bijvoorbeeld met een kaart met QR-code of gesprekken op straat, zoals Kerkrade deed.
Na een peiling kunnen deelnemers zich aanmelden voor volgende peilingen. Zo bouw je een eigen digitaal burgerpanel op en bereik je dezelfde inwoners de volgende keer weer, gericht per gebied en leeftijd. Dat panel ontstaat door aanmelding. Het is dus een panel van betrokken inwoners, geen afspiegeling van de gemeente, en het begint leeg.
De grenzen van een peiling onder inwoners met open aanmelding
Een peiling onder inwoners met open aanmelding heeft grenzen, en die horen in elk verslag.
- Ze rapporteert over de deelnemers. Geen garantie dat de uitslag een afspiegeling is van de bevolking. Ook niet als er veel mensen meededen.
- Meedoen kan vanaf 16 jaar, alleen digitaal en in het Nederlands. Wie geen smartphone of computer gebruikt of de taal niet goed leest, bereik je zo niet.
- Voor een besluit dat op een percentage leunt, is ze niet genoeg. Moet je weten of 80 procent van een wijk meedoet, of hoe tevreden de inwoners van de hele gemeente zijn, kies dan een aselecte steekproef. Gemeenten kunnen bij de Veiligheidsmonitor bijvoorbeeld de steekproef voor hun gebied laten vergroten, zodat ook uitkomsten per wijk of buurt betrouwbaar zijn.
Een peiling met open aanmelding past bij een andere vraag: wat speelt er, welke argumenten zijn er, en hoe verschilt dat per wijk. Combineer de twee als het besluit beide vraagt. Hoe je inwoners in de wijk verder betrekt, staat in het artikel over bewonersparticipatie.
Veelgestelde
vragen
- Hoeveel procent respons is representatief?
- Een responspercentage maakt een peiling onder inwoners niet representatief. Het CBS noemt drie voorwaarden: een steekproef die groot genoeg is en aselect getrokken, voldoende respons, en respons die niet selectief is. Een hoge respons waarin vooral ouderen meededen, kan dus minder zeggen dan een lagere respons die over leeftijden en wijken goed verdeeld is.
- Mag je de uitkomst van een online peiling generaliseren naar alle inwoners?
- De uitkomst van een online peiling met open aanmelding mag je niet generaliseren naar alle inwoners. Wie meedoet, koos daar zelf voor, en die groep wijkt vaak af van de bevolking. Je rapporteert over de deelnemers: hoeveel het er waren, uit welke wijken en leeftijdsgroepen, en wat zij antwoordden. Voor uitspraken over de hele bevolking heb je een aselecte steekproef nodig.
- Wat is weging en wanneer weeg je?
- Weging is een correctie achteraf: groepen die te weinig meededen, tellen zwaarder mee, groepen die te veel meededen, lichter. Het CBS weegt de Veiligheidsmonitor bijvoorbeeld naar geografische, demografische en sociaaleconomische kenmerken. Bij een panel met open aanmelding lost weging het probleem niet op: Onderzoek van het CBS en twee universiteiten uit 2015 liet zien dat weging de kwaliteit van internetpanels met vrijwillige deelnemers niet verbeterde.